![]() |
|
|
de leeswolf, 2009, nr. 9 / december
Een eeuwig heden
Thomas Pynchon: Inherent vice / door Koen Sels
Inherent vice, Thomas Pynchons zevende roman, opent met een
archetypische scène. Aan het begin van het boek, dat zich afspeelt in het L.A.
van begin de jaren ‘70, wordt hippie en private eye Doc Sportello om hulp
gevraagd door zijn ex-vriendin Shasta Fay, die nu het liefje is van de
vastgoedgigant Mickey Wolfmann. Diens vrouw en haar vriend hebben aan Shasta
gevraagd om mee te werken aan een plan om Wolfmann te laten opsluiten in een
gekkenhuis, en er met zijn fortuin vandoor te gaan. Doc moet uitzoeken hoe de
intrige in elkaar steekt. De lezer wordt meteen op weg gezet om wat daarna
volgt te lezen binnen het kader van de detective. Tegelijk word je echter
gestuurd om het boek te beschouwen als een pastiche. Dat de PI van dienst een verstrooide
pothead is met een slecht kortetermijngeheugen, staat immers haaks op het beeld
van de klassieke doortastende detective, die met een helder hoofd de waarheid
tracht te achterhalen.
Dat Inherent vice geen rechttoe-rechtane detective wil zijn, blijkt ook uit het feit dat de ontwikkelingen van de plot allesbehalve rechtlijnig zijn. De spanning in Inherent vice schuilt niet zozeer in het feit dat uiteindelijk alle eindjes aan elkaar zullen worden geknoopt, maar wel in de behendigheid waarmee de auteur je ondanks een gebrek aan logische verbanden toch doet geloven in een samenhang. Dat heeft in de eerste plaats te maken met het niet aflatende verlangen naar opheldering van het hoofdpersonage. Door het feit dat Pynchon met Doc Sportello in Inherent vice koos voor een centraal personage dat een rol speelt in alle scènes — wat zeker niet het geval is in Pynchons andere romans, die bekend staan als erg discontinu — ontstaat bovendien de indruk van een eenheid. Aan het einde van de roman hou je echter een onbevredigd gevoel over: er zijn dan wel oplossingen gekomen voor een aantal problemen, maar het boek eindigt letterlijk in de mist, met heel wat losse eindjes. De initiële opdracht van Sportello leidt hem van het ene naar de andere spoor, waarbij elke nieuwe ontdekking een stap lijkt te zijn in de richting van een groter complot, naar wat ergens in het boek “the Mob behind the Mob” wordt genoemd. Bij dat alles wordt hoe langer hoe meer onduidelijk wat nu juist Docs opdracht is en voor wie hij werkt. De aanvankelijke vraag van Shasta Fay krijgt bv. al meteen een andere invulling wanneer zij en Wolfman plots verdwenen zijn. Lange tijd is een vermeende kidnapping het centrale raadsel, maar van een logische ontwikkeling in de richting van een totale closure is er niet echt sprake. Doc volgt uiteenlopende sporen, die vaak gebaseerd zijn op zijn dopersfantasieën, en die telkens weer voor nieuwe vertakkingen zorgen. Een terugkerend gegeven is bv. de mysterieuze Golden Fang, die zowel verwijst naar een zeilschip, als naar een organisatie die heroïne vervoert en een dubieuze tandartsenpraktijk. Of en hoe die zaken met elkaar verbonden zijn, wordt nooit echt duidelijk, en soms lijkt het wel alsof Doc gewoon bedot wordt door de taal. Het is uiteraard eigen aan het genre van de detective dat alles in de vertelde wereld een clue is die leidt naar een sluitende interpretatie. Voor Doc is paranoia dan ook “a tool of the trade, it pointed you in directions you might not have seen to go. There were messages from beyond, if not madness, at least a shitload of unkind motivation.” Paranoia is echter ook een illusie, die voortkomt uit het feit dat Pynchons personages (maar ook romans in het algemeen) de wereld trachten te vatten in een fictief systeem. De gezonde argwaan van de detective die zich in deze parallelle wereld begeeft, kan evengoed omslaan in het onterecht zien van verbanden en samenzweringen. Net als zoveel personages in Pynchons romans is Doc gedoemd om een orde te ontwaren in wat er zich rondom hem heen afspeelt, en om te speculeren over de rol van de anderen daarin. Net als in zijn andere romans bewandelt Pynchon in Inherent vice de middenweg van de ambiguïteit: nooit wordt helemaal duidelijk of Docs paranoïde fantasieën ergens op gebaseerd zijn. Doordat we in zijn vertelstandpunt gevangen zitten, is er immers altijd een hele wereld die Doc overstijgt. Die onbekende wereld wordt in de eerste plaats vertegenwoordigd door de LAPD, die deel lijkt uit te maken van een grotere hiërarchie met een onbereikbare top. Doc komt in feite wel dichter bij een verborgen waarheid, maar echt tastbaarder wordt die niet. In de loop van het verhaal stapelen de vaak exotische personages zich op, en elk van hen lijkt een of ander geheim te verbergen. Ondertussen geraakt Doc ook verstrikt in talloze andere raadsels, die nooit echt helemaal samenkomen: zo helpt hij Coy Harlingen — de ex-zanger van de surfband The Boards, die na een geënsceneerde overdosis een nieuw, anoniem leven leidt als informant voor de autoriteiten — om zijn leven met vrouw en kind te herwinnen. Verder wordt de PI door ene Trillium Fortnight meegenomen naar Las Vegas om haar verdwenen vriendje Puck op te zoeken, en wordt hij onvrijwillig ingezet door de agent Bigfoot Bjornsen bij het ophelderen van de moord op diens partner. Bigfoot is niet alleen Docs tegenhanger bij de autoriteiten, hij is ook zijn poort naar Het Systeem. Als outsider in het korps is hij nl. een personage dat zich begeeft tussen de officiële orde en de tegenbeweging waar Doc deel van uitmaakt, en die een centrale plaats heeft in Inherent vice. Het begin van de jaren ‘70 wordt bij Pynchon — net als in de officiële geschiedenis — geschetst als een kantelmoment waarop de utopische idealen van de sixties afbrokkelden en gerecupereerd werden door de maatschappij. Charles Manson krijgt daarbij een icoonfunctie, o.m. omwille van zijn rol in de pervertering van de beeldvorming over de protestbeweging. Typerend in dit opzicht is ook de verwijzing naar Vigilant California, een soort informantenorganisatie waarvoor hippies worden gerekruteerd. Pynchon keert de oppositie tussen systeem en counterforce echter ook binnenstebuiten. Zo is de zgn. vrije doper ook een consument die zijn deel heeft in een op winst gerichte drugtrafiek, die voortdurend gelinkt wordt met de overheid. Een centrale rol in Inherent vice is weggelegd voor de tv, die in talloze scènes op de achtergrond speelt, en die een instrument is van het systeem, maar ook een belangrijke rol speelde in de beeldvorming en verspreiding van de protestbeweging. De tv levert niet alleen significante verwijzingen op in verband met het genre van de roman (bv. de reeksen en films waarnaar Doc kijkt), maar is ook een symbool voor de manier waarop zowel de personages als de hedendaagse lezer de jaren ‘60 waarnemen. De geschiedenis, zo laat Pynchon zien, is een voortdurend proces van verbeelding, waarbij de realiteit vertekend en onachterhaalbaar wordt. Het verleden is immers alleen maar beschikbaar via beelden (of representaties in het algemeen), of die nu afkomstig zijn uit de herinnering of van de tv. Dat proces, waarbij een vertekening van de realiteit inherent is aan de geschiedenis, wordt in Inherent vice o.m. tastbaar gemaakt aan de hand van verwijzingen naar het legendarische, door de zee verzwolgen continent Lemuria, dat men kan zien als een metafoor voor het utopische, niet te herwinnen verleden van de sixties. In dat licht kan men ook de aanwezigheid van het strand, de surfers en het zeilschip The Golden Fang metaforisch lezen; zo kunnen we de immer aanwezige branding zien als een grens met het weggespoelde verleden. Veelzeggend is ook het motto dat de roman voorafgaat, en dat verwijst naar een graffito uit het Parijs van mei ‘68: “Under the paving-stones the beach!” Het opschrift spreekt van een verlangen naar het onbereikbare verleden achter de beelden, maar ook naar de natuur onder het plaveisel van het Systeem. Het verlangen naar het verleden en de waarheid wordt o.m. expliciet gemaakt in de obsessie van Docs advocaat Sauncho om ooit The Golden Fang te kunnen bezitten. De oorspronkelijke naam van het schip, ‘Preserved’, suggereert immers dat het om een overblijfsel uit het verleden gaat, die de zee van tijd zou hebben getrotseerd. In de titel van het boek schuilt echter de ontkenning daarvan: ‘inherent vice’ is een term uit het maritieme recht die verwijst naar een bepaalde eigenschap waardoor een lading van een schip niet verzekerd kan worden (in het boek wordt de breekbaarheid van eieren als voorbeeld gebruikt). Inherent aan elke overlevering is dan dat de inhoud onzeker is. De term ‘inherent vice’ valt zelfs letterlijk in een scène waarin Doc een aantal vage uitvergrotingen van een film onderzoekt: “Doc got out his lens and gazed into each image till one by one they began to float apart into little blobs of colour. It was like finding the gateway to the past unguarded, unforbidden because it didn’t have to be. Built into the act of return finally was this glittering mosaic of doubt. Something like what Sauncho’s colleagues in marine insurance liked to call inherent vice.” Het vasthouden van het verleden in een welbepaalde vorm keert ook terug in de aanwezigheid van het ARPA-net, een soort internet avant la lettre, waarmee Doc interessante informatie kan opdelven uit verschillende donkere uithoeken van het systeem. Net zoals de tv een filter is die tussen de personages en de realiteit staat, is het internet voor de hedendaagse lezer een medium dat de werkelijkheid vormgeeft. In de laatste scène uit Inherent vice mondt dat uit in een troebele blik: Doc tracht door een dichte smog naar huis te rijden, en lijkt in een wereld zonder perspectieven te zijn beland, een wereld waarin verleden en toekomst een dikke, onklare massa zijn waardoor men op de tast zijn weg moet zoeken, met als enige richtinggever de wazige lampen van de auto voor je. Het beeld dat Pynchon van de sixties geeft, is met andere woorden duidelijk getransformeerd door de blik van iemand uit het zgn. ‘posthistorische’ internettijdperk. “It’s all data. Ones and zeros. All recoverable. Eternally present.”, zo zegt een personage over het ARPA-net. De lineaire tijd wordt hier een vertakte tijd, een Wikipedia-variant van de geschiedenis. In zekere zin leveren de nadruk op paranoia en de vertekening van de geschiedenis — samen met de exotische namen van personages, de populaire liedjes en de (mild) surreële scènes — een klassiek Pynchonboek op, dat echer ook duidelijk vluchtiger en minder beklemmend is dan romans als V en Gravity’s rainbow. Het lijkt erop dat Pynchon beducht was voor het feit dat ook zijn eigen schrijverij onderhevig is aan beeldvorming: de ogen van een Pynchonlezer zijn nl. al op voorhand ingesteld op paranoia. Misschien verklaart dat ook waarom Inherent vice vol zit met verwijzingen naar eerdere romans. Zo speelde de vastgoedmarkt een grote rol in The crying of lot 49, wordt er ergens verteld dat er een verzekering werd genomen op The Golden Fang “just before she singled up all lines” (zie de eerste zin van Against the day), en zijn er o.a. verwijzingen naar parabolische vormen, een “Toilet of Memory” en The wizard of Oz (zie Gravity’s rainbouw). Deze autoreferentiële knipoogjes plaatsen Inherent vice natuurlijk in het licht van Pynchons oeuvre, maar zijn zo achteloos dat de schrijver ook zichzelf lijkt te parodiëren. Dat maakt van Inherent vice een niet altijd even ernstig, maar alleszins ambigu boek dat het eigen perspectief van de auteur tastbaar maakt. Bovenal is het boek echter een meeslepende en vaak erg grappige detective, die misschien niet dezelfde verschroeiende leeservaring biedt als Gravity’s rainbow, maar zeker een boeiende plaats heeft in Pynchons oeuvre. Thomas Pynchon: Inherent vice, Cape London, 2009, 369 p., € 30,45. ISBN 9780224089487 Distributie: Nilsson & Lamm BV Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
|
|
||||||||
| © 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb |