naar startpagina
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
e-wolf  
Children's literature in translation : challenges and strategies / ed. by Jan van Coillie
door Chris Bulcaen
Hans Christian Andersen wordt in zijn geboorteland Denemarken beschouwd als een grote literaire figuur tout court, zonder de kwalificatie ‘voor de jeugd’ of ‘in het sprookjesgenre’. Zelfs zijn sprookjes worden als autonome literaire creaties beschouwd, in de zin dat ze behoorlijk afweken van de sprookjestraditie, in bv. hun literaire finesse, de stilistische diversiteit, de auctoriële uitweidingen en de befaamde ‘tweestemmigheid’ (of ‘dubbele gerichtheid’ — het gegeven dat Andersen zowel kinderen als volwassenen aansprak). Helaas gaan die complexere aspecten vaak verloren in vertaling, omdat men — de vertalers, de uitgevers of het lezerspubliek — de ambities van Andersen terugschroeft en zijn sprookjes zo bewerkt dat ze weer netjes in de sprookjestraditie passen en ook veel minder ‘dubbele gerichtheid’ bevatten. Kortom, van Andersen een pure en vertrouwde schrijver voor kinderen maken.
Dat is in het kort de analyse van Anette Øster, in haar bijdrage tot Children’s Literature in Translation, een bundeling van elf artikels, geredigeerd door Jan Van Coillie en Walter Verschueren, en uitgegeven bij de kleine uitgeverij St. Jerome Press, die gespecialiseerd is in academische uitgaven over vertaling en interculturele communicatie. De bundel draagt een duidelijke ‘Vlaamse’ stempel, met bijdragen van Rita Ghesquiere, Vanessa Joosen, Isabelle Desmidt en Jan Van Coillie. Østers analyse geeft perfect de kwaliteiten van deze bundel weer: interessant en vlot geschreven, flink van voorbeelden voorzien, maar niet echt vernieuwend voor wat onze inzichten over het vertalen van jeugdliteratuur betreft. Wat Andersen in vertaling allemaal overkomt, is toch vrij algemeen geweten en kwam bv. vaak aan bod tijdens het Andersenjaar 2005. De andere bijdragen brengen eveneens interessante gevallenstudies en aspecten naar voren, zoals het belang van het kindbeeld van de vertaler (en uitgever), de ‘dubbele gerichtheid’ van veel (de betere) jeugdliteratuur, de ethiek van het vertalen etc. Een duidelijk herkenbaar hoofdthema vormt de tegenstelling tussen ‘domesticatie’ en ‘vervreemding’ (zie hieronder). Voor al deze aspecten en thema’s geldt echter dat ze al langer bekend zijn in het wetenschappelijke onderzoek naar vertaling van jeugdliteratuur. Sommige auteurs herhalen zaken uit vroegere publicaties, andere vatten gewoon de bestaande theorieën samen of passen ze toe, zonder er iets wezenlijks aan toe te voegen.
Het is eigenlijk een pover bilan voor een wetenschappelijke publicatie, waarvan de opzet toch altijd zou moeten zijn om de bakens te verzetten. Zelfs in toegankelijkere publicaties kwamen deze “challenges and strategies” (de ondertitel van het boek) al uitgebreid aan bod, bv. in voorbije jaargangen van dit eigenste tijdschrift (bv. Leesidee jeugdliteratuur 1999 nr. 5, 2002 nr. 6). Ook het recente themanummer over ‘Jeugdliteratuur in vertaling’ van het tijdschrift ‘Literatuur zonder leeftijd’ (nr. 67, 2005) mag hier niet onvermeld blijven. Ook in dat themanummer staat het contrast tussen ‘domesticerende’ en ‘vervreemdende’ vertaalstrategieën voorop. Als we echter even voorbij het wetenschappelijke niveau van Children’s Literature in Translation kijken, dan mag gesteld worden dat het een aardige introductie is tot het onderwerp, die toegankelijk geschreven is voor een breed publiek van geïnteresseerden.

Vertaalstrategieën

Het contrast tussen ‘domestication’ en ‘foreignisation’ werd door Lawrence Venuti in zijn invloedrijke studie The Translator’s Invisibility (Routledge, 1995) geïdentificeerd als een centraal probleem in de vertaalpraktijk. In andere termen was het al veel langer onderwerp van discussie, bv. in het werk van Zohar Shavit, dat specifiek over jeugdliteratuur handelt. De domesticerende vertaalstrategie komt erop neer dat je een vertaalde tekst zo aanpast aan de doeltaal en -cultuur dat het ‘vreemde’ karakter van de tekst verdwijnt of toch niet meer bedreigend overkomt. De tweede strategie (‘foreignisation’) houdt in dat je de vreemde aspecten van een tekst — de vreemde locaties, eigennamen, spreekstijlen, culturele reacties etc. — gewoon behoudt, zonder enige bewerking of aanpassing, opdat de lezer de tekst niet zomaar als iets vertrouwds wegleest, maar tot nadenken wordt gestimuleerd over wat hem allemaal zo vreemd overkomt in de vertaalde tekst. Venuti stelt deze vertaalstrategie als norm voorop, en verwerpt ‘domesticatie’ als een ongeoorloofde, zelfs etnocentrische manipulatie van de brontekst. Vertaalster Griet van Raemdonck omschreef haar eigen ‘vervreemdingsstrategie’ ooit als volgt: “Ik heb bij het vertalen de bedoeling om de vreemde cultuur te laten kennen zoals ze is. Ik beschouw mijn werk eigenlijk eerder als deel van de Zweedse cultuur waar ik de mensen hier mee wil laten kennismaken en waarvoor ik als vertaler een bemiddelaar ben. Daarom zal ik bv. altijd proberen de Zweedse namen te houden. Of ik zal eerder geneigd zijn iets onbegrijpelijks uit te leggen dan weg te laten of te vernederlandsen. Volgens mij is dat voor kinderen een verrijking. […] Je leert aan de ene kant zien hoeveel gelijkenis er is in de gevoelens van mensen en tegelijk hoeveel verschil er kan zijn in de omstandigheden.” (Leesidee jeugdliteratuur 1997, p. 187).
Het mag duidelijk zijn dat de meeste vertalingen veel meer ‘domesticerende’ tendenzen vertonen dan ‘vervreemdende’, en dat geldt a fortiori voor jeugdliteratuur, omdat men kinderen niet met al te veel vreemde zaken om de oren wil slaan. De Finse vertaalster en vertaaltheoretica Riita Oittinen pleit ervoor het contrast tussen beide vertaalstrategieën anders te beschouwen naargelang van de leeftijd van het lezerspubliek, waarbij meer ‘domesticatie’ toegelaten is bij jongere leeftijden. Voor haar is het belangrijker altijd in het oog te houden voor wie je vertaalt, eerder dan je louter te concentreren op de eigenheid van de brontekst. ‘Domesticatie’ is tot op zekere hoogte ook onvermijdelijk, bv. omdat elke vertaler er een bepaald beeld van het lezerspubliek op na houdt, en Oittinen stelt dat we er dan ook maar een bewuste vertaalstrategie moeten van maken. Het gevolg kan dan zijn dat er verschillende versies ontstaan, een ‘gedomesticeerde’ vertaling voor een jeugdig publiek, een ‘vervreemdende’ versie voor een ouder publiek, waarin bv. de ‘dubbele gerichtheid’ van veel jeugdboeken volledig bewaard blijft. Gillian Lathey vindt dat een noodzakelijke oplossing, en geeft als voorbeeld verschillende Engelse vertalingen van Carlo Collodi’s Pinocchio.

Domesticatie

‘Domesticatie’ grijpt in op verschillende niveau’s van een tekst. Vrij onschuldig lijkt het omzetten van plaats- en eigennamen, opdat kinderen niet geconfronteerd worden met onbekende en moeilijk uitspreekbare namen. Nochtans kunnen namen een belangrijke rol spelen, bv. wanneer ze een bijkomstige betekenis hebben in de originele taal of vervat zitten in een complex taalspel. Mette Rudvin en Francesca Orlati wijzen, in wat als het beste artikel van Children’s Literature in Translation mag worden beschouwd, op de meervoudige betekenissen die Salman Rushdie in zijn Haroun and the sea of stories (1990) in de naamgeving van zijn karakters stopt. In de reeks personages ‘Mr. Butt — Iff — Butt the Hoopoe — Sneaky Buttoo’ verraden de namen niet alleen op de spreekstijl van die personages, maar bevatten ze ook allusies op Hindi-woorden over spreken en zwijgen, alsook op de politieke stijl van voormalig president Ali Bhutto. Een typisch intertekstueel spel van Rushdie, die ook de ‘dubbele gerichtheid’ van Haroun and the sea of stories aantoont (hoewel de meeste volwassenen, evenmin als kinderen, al die allusies zullen doorhebben). De onderzochte Italiaanse en Noorse vertaling weten bepaalde allusies over te zetten, maar lang niet allemaal. In een ander artikel in dit boek brengt Jan Van Coillie in kaart op welke verschillende wijzen eigennamen in jeugdliteratuur vertaald worden en welke motieven daarin spelen. Belén González Cascallana en Isabel Pascua-Febles doen hetzelfde voor cultuurspecifieke referenties, zoals nationale gerechten, literaire iconen, onomatopeeën en humor.
Domesticatie gebeurt echter ingrijpender voorbij het woordniveau, wanneer men bv. stijlregisters niet voldoende weet over te zetten, of gewoonweg bepaalde passages schrapt, omdat ze het lezerspubliek niet zouden kunnen ‘boeien’. De oorzaak hiervan is vaak dat men het vernieuwende van een bepaalde tekst niet snapt of niet wil overbrengen, uit vrees dat het publiek dit soort vernieuwende literatuur niet zou waarderen. Vanessa Joossen wijst daarop in haar analyse van verschillende vertalingen van jeugdromans van Aidan Chambers. Omdat men in de Nederlandstalige jeugdliteratuur nog niet vertrouwd was met literair complexe ‘crossover’ romans voor adolescenten, lieten vertalers veel aspecten van die complexiteit — bv. ingenieuze en gewaagde metaforen, veranderingen in stijlregister, dubbelzinnigheden — gewoon vallen, en ook op recente vertalingen is nog voldoende aan te merken. Toch mag gesteld worden dat de literaire kwaliteit van deze romans voldoende overeind bleven in vertaling om grote invloed te hebben op de evolutie van de adolescentenroman in de Nederlandstalige jeugdliteratuur.
Dat is eigenlijk een opvallende constante in dit boek, dat slechte vertalingen toch nog het vernieuwende karakter van een literair werk voldoende kunnen overbrengen. Hoe ‘gedomesticeerd’ een buitenlandse auteurs als Andersen, Chambers en Rushdie ook mogen worden, toch blijft hun literaire genie enigszins overeind, en blijven hun werken voldoende ‘anders’ en ‘vernieuwend’ om evoluties in de inheemse literatuur te stimuleren. Rita Ghesquiere wijdt een bijdrage aan het belang van vertalingen van jeugdliteratuur om vernieuwingen in het veld (het ‘polysysteem’) van de jeugdliteratuur mogelijk te maken. Dat dit ook met gebrekkige vertalingen kan, wijst erop dat een kwaliteitsvolle tekst nooit volledig ‘gedomesticeerd’ kan worden. Er blijft altijd wel iets van zijn ‘vreemdheid’ overeind, zelfs al past de vertaler geen ‘vervreemdings’-vertaalstrategie toe, zelfs al wordt de tekst in deze of gene zin aangepast voor het jeugdige publiek.

Jan Van Coillie (red.): Children's literature in translation : challenges and strategies, St. Jerome Manchester, 2006, IX, 190 p., € 34. ISBN 1-900650-88-6. Distributie: St. Jerome Publishing

U kunt de volledige tekst lezen in
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
nog over dit onderwerp
ONDERZOEK NAAR JEUGDLITERATUUR
andere onderwerpen
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb