naar startpagina
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
Lezing Bart van Loo
Bespiegelingen van een Leeswolf

Geacht publiek,
Beste collega’s,

Herinnert u zich nog uw eerste keer?
...
Uw eerste contact met Jen de Groeve? Ik hoop voor u dat het aan de telefoon was zodat haar warme stem zich meteen in uw geheugen kon verankeren. Ik weet het in ieder geval nog heel goed. We schrijven 1996. Ik was 23 en wou op een of andere manier de letteren in mijn leven of mijn leven in de letteren loodsen. En toen had iemand mij de namen Leesidee (dat jaren later gelukkig werd omgetoverd tot het iets meer tot de verbeelding sprekende Leeswolf) en Jen de Groeve getipt. Ik kan mijn melancholie zelfs vangen met enige meteorologische en geografische precisie. Ik belde haar op een regenachtige novemberdag, en wel vanuit een troosteloos telefoonhokje naast de Match op de Maantjessteenweg in Merksem. Vandaag kom ik nog maar zelden in die buurt, maar telkens ik er passeer, moet ik aan Jen denken, aan dat gesprek in de regen, aan die eerste keer. Twaalf jaar later hoorde ik opnieuw hoe de gloedvolle stembanden van Jen zich aan de andere kant van de lijn samenspanden tot een vraag waaraan ik moeilijk kon weerstaan: of ik niet een woordje plengen wou op het feest van de leeswelpen en –wolven.

Ik herinner me ook nog onze eerste ontmoeting, niet lang na het aangehaalde telefoongesprek. De redactie bleek gevestigd te zijn in de Coebergerstraat, op een boogscheut van mijn eigen woonst. Een afgrijselijk lelijke betonnen blok die verdeeld was in laaggeplafonneerde compartimentjes vol versgedrukte boeken en aftandse meubelen, alles badend in kil kunstlicht. Dit is dus de wereld van de literatuur, dacht ik terwijl ik als Balzacs Rastignac (als een ambitieuze en tegelijk prominent onwetende provinciaal) met vastberaden, maar toch wel verbouwereerde tred een akelige gang inwandelde. In de duistere kamers van dit bouwvallige boekenpaleis hing een onmiskenbare mistroostigheid, maar helemaal achteraan, als het eeuwig brandende licht in een kerk, glinsterden twee paar ogen van twee onvermoeibare leeswolven. Jen, klaterend van enthousiasme, maar zich terdege bewust van waar ze als hoofdredacteur met haar tijdschrift naar toe wilt, en haar rechterhand Kris van Zeghbroeck, uiterlijk kalm en onbewogen, maar van binnen door het heilige vuur verteerd, en 4,27 boeken per week lezend en besprekend. Ze bekeken me eerst enigszins argwanend. De twee leesmonsters monsterden me, en wilden me bij wijze van test het jaarboek van het Simon Vestdijkgenootschap ter bespreking meegeven. U kunt zich inbeelden dat dit niet meteen mijn gedroomde entree was, en ik liet me dan ook niet zo makkelijk afschepen. Mijn oog viel op de nieuwe roman van Javier Tomeo, waarvan ik net toevallig een en ander gelezen had, en ik bracht terstond verslag uit van mijn toenmalige voorliefde voor de Spaanse letteren, nam het boek vervolgens liefdevol in mijn handen, en vroeg de onthutste twee of ik niet Tomeo mocht bespreken. "Jamaar", zeiden ze gedwee met zijn twee, "dit boek is bedoeld voor een artikel", waarop ze me het systeem van korte recensies en langere artikels uit de doeken deden. De ondertoon van hun stem klonk als een negatief advies –zo van, begin jij maar onderaan de ladder jongeman-, maar ik dacht enkel dat ze mijn volharding op de proef stelden, en negeerde dan ook hun terughoudendheid. Bovendien werd je voor die langere artikels betaald, enfin dat hadden ze er toch voorzichtig bij gefluisterd. Met een verschrikt gemoed zagen Jen en Kris hoe ik de roman van Tomeo in mijn rugzak stak. (Ter info: net als hun oude naam ruilde ze de Coebergerstraat later gelukkig in voor een mooier pand op de Antwerpse Frankrijklei.)

Dat eerste artikel werd goed ontvangen, en toen was er geen houden meer aan. Geachte aanwezigen, beste collega’s, jullie weten net zo goed als ik dat je bij aanvang mag aanvinken hoeveel boeken per maand je wenst te ontvangen. Ik vond één boek per maand wel voldoende, en meende dat ook duidelijk gecommuniceerd te hebben. Blijkbaar niet duidelijk genoeg, want ik werd werkelijk bedolven onder de boeken. Elkaar in ijl tempo opvolgende postpakketjes verdrongen zich in de gang van mijn studentenhuis, allemaal boeken voorzien van miniscule briefjes met daarop korte boodschappen van Jen die je niet in de wind kon slaan, in de stijl van "graag bespreking, zoveel tekens tegen deze week vrijdag" of "graag dit boek nog even mee verwerken in artikel tegen overmorgen". Ik heb toen al wel eens gevloekt. Tevergeefs, Jen ontpopte zich in mijn verbeelding als een onweerstaanbare jonge minnares die er vanuit gaat dat men haar niets kan weigeren. Zodus heb ik me enkele jaren gewijd aan haar onstilbare literaire vraatzuchtigheid, en scherpte ik stukje bij beetje mijn pen. Het waren ambachtelijke tijden. Telkens bracht ik een disketje op de redactie binnen waar enkele huurlingen hun tijd nog gedeeltelijk vulden met het overtikken van getypte en zelfs handgeschreven recensies. In de loop der jaren heb ik het helse leeswolftempo drastisch afgebouwd omdat er zich steeds meer andere opdrachten en projecten op mijn weg posteerden, maar meer dan tien jaar later ben ik nog steeds met plezier een bescheiden medewerker... maar vooral een grote lezer van De Leeswolf. Terecht trouwens.

                   ***
Het blad is een verademing in een steeds meer verschralend literair-kritisch landschap. Het is makkelijk om uit te halen naar de kwalitatieve achteruitgang van onze gekende literaire bijlagen, en ik wil me dan ook hoeden voor goedkope polemische scherpschieterij, maar het is onmiskenbaar zo dat De Leeswolf zich de voorbije tien jaar heeft opgewerkt tot het beste literair-kritische medium in Vlaanderen. Je lâche les mots, et je les maintiens! Het is gewoon zo. We komen van ver hoor, maar met een bewonderenswaardige verbetenheid heeft de redactie het blad stukje bij beetje meer aanzien doen verwerven. Er kwamen thematische bijdragen. Door de wol geverfde lezers mochten zich uitleven in literaire columns. Stilaan sierden ook steeds meer grote namen de kolommen, geflankeerd door jong aanstormend talent. Illustratoren werden verzocht alles in een mooi kleedje te stoppen, met als voorlopige hoogtepunt de huidige jaargang waarin Ann Kestens ons trakteert op een stijlvolle cover. Aandachtige lezers met gevoelige handen hebben zeker opgemerkt dat sinds 2008 ook het papier van het tijdschrift een sprong voorwaarts heeft gemaakt.

Sinds jaren neem ik De Leeswolf maandelijks grondig door. Hij ligt in het kleinste kamertje, broederlijk naast het Franse literaire tijdschrift Lire en de twee geven kleur aan de bleke, prangende momenten van de maand. Door de jaren maakte ik kennis met wegwijzers die me gaandeweg vertrouwen zijn gaan inboezemen. Ik denk spontaan aan Bart Voncks stukken over de Spaanstalige, die van Jan Bettens over de Nederlandse, Frans Denissen en Tom Dekeyzer over de Italiaanse, Kris van Zegbroeck over de Angelsakische of Erik de Smedt over de Duitse letteren (die echter veel meer pijlen op zijn boog heeft, lees er maar eens het modernistische robbertje op na dat hij onlangs uitvocht met Peter Gay). Of nog: Dirk de Geest met zijn knappe recensies en bespiegelingen over poëzie, de mooie kunstbijdragen van Iris Paschalidis en de autobiografische, maar herkenbare en treffend geformuleerde 'bladspiegels' waarop Eddy Bettens ons maandelijks trakteert. Uit de leeswolfhoed van de laatste maanden tover ik verder nog uitgebreide stukken over de Indo-Engelse of Joods-Amerikaanse letteren, themabijdragen over de dood in de literatuur... en sedert enige tijd laat men zelfs een onverlaat ongegeneerd lange stukken schrijven over Franse erotica. Erg opvallend en uniek in Vlaanderen is de ruime aandacht voor de vaak ten onrechte verwaarloosde non-fictie. Ik zou nog kunnen doorgaan en namen noemen als Joris Gerits, Gunter Bousset, sinds kort ook Rokus Hofstede en weldra de heer Reugebrink. En natuurlijk u wiens naam ik niet noem... Ik heb deze namen spontaan neergeschreven zonder een Leeswolf te openen, en vermoedelijk kan u zelf moeiteloos een ander, evenwaardig lijstje uit uw mouw schudden.

Door zo lukraak wat moois uit de leeswolfpels te graaien, schets ik misschien wel een beeld van het tijdschrift als een wanordelijke ratjetoe, maar dat is De Leeswolf zeker niet. Alles is gegoten in een degelijke en transparante structuur die ervoor zorgt dat je weet wat je juist waar mag verwachten in het tijdschrift. Ik apprecieer die duidelijkheid.

Elk boek draagt een aantal beloftes of verwachtingen in zich, en het is aan de recensent om te zien of het boek daarin slaagt en op welke manier het dat doet, liefst natuurlijk op basis van argumenten en... de onvermijdelijke persoonlijke smaak. Wat men steeds maar weer "persoonlijke smaak" noemt is echter geen etherisch ongrijpbaar fenomeen, maar de optelsom van alle boeken die je las, vooral dan diegene die je echt goed of echt niet goed vond, hij is het resultaat van een jarenlange confrontatie van de nieuwe boeken met wat men genoegzaam de literaire canon noemt. Normen en maatstaven, zo nodig eeuwenoude normen, moet er zijn zijn, al was het maar om je er tegen af te zetten. Bovendien draagt een innige kennismaking met oude (noodzakelijkerwijze niet altijd even gesmaakte) meesterwerken er toe bij om ook boeken die niet meteen tot je "persoonlijke smaak" behoren op hun merites te beoordelen. Enige intertekstuele duiding in een recensie is mij zeer genegen, zolang die maar niet vervalt in gratuite of ijdeltuitige namedropping. Ik houd er natuurlijk van dat een recensent een pen kan vasthouden en zijn mening fijnmazig maar gekleurd kan verpakken, maar een recensie is geen column, het draait om het boek en niet om de recensent. De recensie is een nederig genre. Als je daar moeite mee hebt, kan je nog altijd zelf een boek schrijven. Ik vind het goed dat deze redactie openlijk probeert om De Leeswolf onder dat gesternte vorm te geven.

Dit alles maakt dat je in De Leeswolf stukken leest, die je nergens anders kan lezen, niet in de literaire bijlagen van onze grote kranten, en ook niet meer in de literaire tijdschriften die vooral ongepubliceerd proza publiceren of zich toespitsen op wel erg specifieke thema’s. Er ligt een onbewerkt literair-kritisch land tussen de wel eens voorspelbare stukken uit de kranten en de best boeiende nummers van literaire tijdschriften die zich evenwel ver weg houden van de literaire actualiteit. Ik verstout me te stellen dat De Leeswolf op een misschien weinig spectaculaire, maar des te degelijkere manier bezig is dit brakke niemandsland in te palmen. Het blad is dan ook zowel kwalitatief als inhoudelijk een pertinent blad geworden.

Jaren was het de gewoonte dat recensenten vanuit de Leeswolfschoot doorstroomden naar de literaire bladzijden van De Standaard of De Morgen, daarbij zeggende: "Ik werk(te) voor De Leeswolf, maar wil graag voor jullie schrijven." Meer prestige, betere verloning, u kent het verhaal. Ondertussen kan je echter een tegengestelde stroom opmerken. Medewerkers van de literaire bijlagen die om allerlei redenen hun ei niet meer kwijt kunnen, en aankloppen bij De Leeswolf, zeggende: "Ik werk(te) voor De Standaard of De Morgen, maar zou graag voor jullie recenseren." Het verschil in verloning blijkt niet het allerbelangrijkste te zijn, met het prestige van De Leeswolf lijkt het ook de goede kant op te gaan, maar deze evolutie zegt vooral iets over het zonet aangehaalde literair-kritische niemandsland.

De Leeswolf mag dan een relevante plaats verworven hebben, de positie van De Leeswelp is zonder meer uniek. Het is het enige tijdschrift over jeugdliteratuur in Vlaanderen. Ook Nederland ontbeert een vergelijkbaar tijdschrift. Bovendien stellen de problemen in verband met de literaire kritiek zich voor jeugdliteratuur nog scherper. Er wordt nog minder gerecenseerd en de recensies zijn zo mogelijk nog korter en per definitie dus oppervlakkiger. Bovendien komt de jeugdliteratuur ook in de literaire tijdschriften zo goed als niet aan bod (hooguit eens als gelegenheidsthema). Een stevige analyse van jeugdliteratuur kom je dus alleen tegen in De Leeswelp. Het tijdschrift rekruteert ook actief jonge wetenschappers, om vanuit hun vakgebied te schrijven, maar dan wel zonder academisch jargon, en voor een breed publiek. Vanessa Joosen is zo’n enthousiaste wetenschapper die bij de lectuur van De Leeswelp regelmatig je pad kruist. En verder een aantal critici met een breed overzicht op de markt en een scherp oordeel. Ik denk bv. aan Mirjam Noorduijn, uit de jury van de Gouden Uil jeugdliteratuur. Sinds het tumult rond de shortlist onlangs, weten we dat die jury echt wel op zoek gaat naar kwaliteit, een zoektocht die ook De Leeswelp tot de zijne heeft gemaakt.

                      ***
Het is evenwel lang niet alles goud wat er blinkt. Er is één heikel punt. Bijna niemand kent De Leeswolf of De Leeswelp. Laten we een wolf een wolf, en een welp een welp noemen. Dat is spijtig. Al begint ook daar stilaan verandering in te komen. Jen en Kris hebben (samen met de hulp van de jonge wolven Koen en Koen, waarbij de heer Van Baelen zich ontpopt heeft als een hartstochtelijke pleitbezorger van poëzie in het tijdschrift, en een erg gewaarderde bewaker van kwaliteit van de teksten, en de heer Sels zich met plezier specialiseerde in de literaire actualiteit én in het achter de vodden zitten van trage recensenten) met de laatste halflege honingpotten een mooie website uit de virtuele grond gestampt. Dankzij de site en de nieuwbrief hebben ze op korte termijn een iets prominentere publieke plaats veroverd, maar ik ben ervan overtuigd dat De Leeswolf een nog groter bereik kan halen, en dat zeker verdient. Ook de Vlaamse literatuurliefhebber verdient dat trouwens.

Dit alles is het resultaat van bloed, zweet en een hele tuit tranen. Hoofdredacteur Jen en chef boeken/webmaster Kris rekruteren, recenseren, redigeren, accentueren, enthousiasmeren, en waarderen. Hun voluntarisme is er eentje waarnaast dat van Verhofstadt verbleekt en doet me spontaan denken aan een citaat van Honoré de Balzac dat ik in goede en kwade dagen meedraag in mijn hart: "Een mens is pas echt een mens te noemen als hij een of andere hartstocht bezit. Een man zonder hartstocht, een volkomen onberispelijk mens, is een wanstaltig wezen, een embryonale engel aan wie geen vleugels zijn gegroeid." (Le Cousin Pons, 1847). Bloedmooie, maar gevaarlijke woorden, want Icarus indachtig kunnen vleugels gekortwiekt worden. Ook dat heeft de redactie aan den lijve ondervonden. Er waren periodes dat ze niet eens wisten of ze uitbetaald zouden worden op het einde van de maand, dat het niet zeker was of De Leeswolf nog lang zou klauwen, meermaals werd zijn zwanenzang aangekondigd, hier en daar zelfs ingezet. Toch hebben ze doorgezet, in de schaduw, in alle bescheidenheid, en alleen voor die gloed- en zinvolle koppigheid verdienen ze alle respect.

Momenteel voorzien de tijdschriften in hun eigen inkomsten, maar om de broodnodige promotie te voeren of om medewerkers misschien toch wat meer te kunnen betalen dan nu is er meer geld nodig. Een zoektocht naar privésponsoren of andere mecenassen zou geen slecht idee zijn. De vraag kan gesteld worden of ook het Fonds voor de Letteren enige centen kan investeren in een degelijk literair-kritisch blad, al moeten we ons hoeden voor een situatie waarin het Fonds zowat elk literair initiatief financiert, maar de vraag kan minstens gesteld worden. In ieder geval wil ik Jen, Kris en hun fijne crew, maar ook voorzitter Geert Swaenepoel van de Raad van Bestuur onversaagd aanmoedigen om elke morzel Leeswolfgrond met hart en ziel te verdedigen en alles in het werk te stellen om het tijdschrift meer bekendheid en meer middelen te geven. Dat dit niet kan zonder een legertje gemotiveerde recensenten is duidelijk, en het is dan ook terecht dat jullie vandaag in de bloemetjes gezet worden. Hopelijk wijzen de wijn en de etiketten de weg naar bloemrijke gesprekken, en ontdekt u warme persoonlijkheden achter de namen die boven de stukken stonden die u de voorbije jaren zo geapprecieerd hebt.

                        ***
Beste aanwezigen, beste collega’s, het is goed om hier samen te zijn, om achterom te kijken, en met een glas in de hand en een langoureuze verzuchting in de keel te stellen dat het goed geweest is, maar dat het altijd nog beter kan. Meer geld, betere stukken, meer naambekendheid, en een groter zelfbewustzijn. De bescheidenheid die De Leeswolf zo kenmerkt, mag nu en dan opzij gezet worden, zeker vandaag. We mogen er trots op zijn deel uit te maken van deze uitzonderlijke roedel leeswolven, en ik stel voor dat we dan ook tonen! Laten we zelf levende en bovendien gratis promotie zijn door regelmatig met een exemplaar van ons tijdschrift op stap gaan. Ik ben er immers – waarschijnlijk tegen beter weten in – van overtuigd dat lezen in het openbaar besmettelijk is. Zet u neer in bushokjes, treinstellen, lerarenkamers, benut het kwartier vooraleer de theatervoorstelling begint... Geef een literaire draai aan uw romp, trek uw neus recht, en duik met aanstekelijke nieuwsgierigheid in De Leeswolf. Voor we het weten zullen bushokjes, treinstellen, lerarenkamers en theaterzalen uitpuilen van leeswolven en die uiteindelijk onze boekenwinkels zullen plunderen en van literatuur een lucratieve en inspirerende sector maken. Maar vooraleer we dat even regelen, heffen we eerst het glas. Op de literatuur, op De Leeswolf, op De Leeswelp, op onszelf! Gezondheid!



© Bart Van Loo, 10 april 2008
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb