|
8/02/2010 - Kate DiCamillo: Het verhaal van de olifant en de goochelaar, of Hoe Peter zijn zusje terugvond / door Jen de Groeve
Ontsnappen uit de grijze
egaliteit
‘Aan het eind van de
eervorige eeuw stond op het marktplein van de stad Baltese een jongen met een
hoed op zijn hoofd en een munt in zijn hand. Peter Augustus Duchenne heette de
jongen, en de munt die hij vasthield was niet van hem, maar behoorde toe aan
zijn voogd, een oude soldaat, Vilna Lutz genaamd, die de jongen naar de markt
had gestuurd om vis en brood.’ De openingszinnen van "Het verhaal van de
olifant en de goochelaar, of Hoe Peter zijn zusje terugvond" zeggen ons
dat hier een oud verhaal wordt verteld, vagelijk gesitueerd in een ver
verleden, maar met personages die iets vertrouwds hebben. Ook de situatie roept
een bekende sfeer op. De jongen zonder ouders, het ‘klein koekoeksjong van de
zolderwereld’, onder de hoede van een oude soldaat heeft iets archetypisch. De
situatie is schamel, de zorg die de jongen krijgt, zit gevat in regulering en
plichtsbewustzijn: hij zal worden opgeleid tot een ‘trouw en onverschrokken
soldaat’, zijn leven zal bestaan uit gehoorzamen en marcheren. En we krijgen in
die eerste zinnen ook al de gedachte mee dat de munt in zijn hand belangrijk
moet zijn. Bedoeld om er enkel een karig soldatenmaal mee te betalen, kan Peter
er méér mee kopen. Alleen is de munt niet van hem. De werkelijkheid in de
stad Baltese is zo koud en versteend, dat er iets magisch moet gebeuren om daar
verandering in te brengen. En dan staat daar plots de rode tent van een waarzegster
middenin de kleurloze uitstallingen op de markt. De waarzegster belooft voor één
florit ‘de diepzinnigste en moeilijkste vragen die het hoofd of het hart maar
kan stellen’ te beantwoorden. Peter staat voor een hartverscheurende keuze. Als
hij haar de vraag die hem kwelt voorlegt, moet hij liegen tegen Vilna Lutz over
waar hij met het geld gebleven is. Hij doet het toch, en het antwoord van de
waarzegster doet zijn hart opleven: zijn zusje, waarvan Vilna Lutz gezegd had
dat ze dood was, leeft nog. Hij kan haar vinden door de olifant te volgen. Dat
vormt weliswaar een probleem, want er zijn geen olifanten in Baltese. ‘Dat is
maar al te waar’, zegt de waarzegster, ‘maar misschien heb je het nog niet
gemerkt: de waarheid verandert voortdurend.’ Als Peter met een hart vol twijfel
en hoop terugkeert naar zijn baas, herhaalt een bedelaar langs de straat die
boodschap als een mantra: ‘het is donker en koud, en de dingen zijn niet wat ze
lijken, en altijd verandert de waarheid.’ De toon is gezet, dit is een verhaal
vol belofte. In de onveranderlijke
wereld waar Peter woont, doet zich in die nacht iets wonderlijks voor: in het
theater wil een bejaarde goochelaar, die in zijn leven eenmaal iets
opzienbarends tot stand wil brengen, een boeket lelies tevoorschijn goochelen
om ze aan madame LaVaughn te schenken. Maar in de plaats van lelies verschijnt
er een olifant. Hij valt door het dak en landt precies op de schoot van madame
LaVaughn. Haar benen zijn verpletterd en ze zal de rest van haar leven in een
rolstoel doorbrengen. De gemankeerde goochelaar belandt achter de tralies en de
olifant gaat aan een ketting. De goochelaar heeft zichzelf overtroffen, er is
iets magisch gebeurd, maar de dingen veranderen bepaald niet ten goede. En van
de waarzegster moeten ze geen antwoorden meer verwachten, want ze is verdwenen.
‘De winter van de olifant, was voor de stad Baltese een ellendige tijd. De
hemel was bedekt met dikke laaghangende wolken die de zon verborgen en de stad
dagenlang hulden in een schemerduister dat nooit meer leek te eindigen.’ De
mensen zoeken vergeefs naar een uitweg. Madame LaVaughn bezoekt dagelijks de
goochelaar in de gevangenis om hem te vragen hoe ze zo in die uitzichtloze
situatie gekomen is. Maar ze stelt elke dag opnieuw dezelfde vraag en de
goochelaar geeft telkens hetzelfde antwoord: ‘Ik bedoelde alleen maar een bos
lelies.’ Gaandeweg worden er nieuwe personages geïntroduceerd en allemaal
koesteren ze een diep, verborgen verlangen. De agent Leo Matienne, die de ziel
heeft van een dichter, blijft zich afvragen: ‘“zou het niet mogelijk zijn…” “Nee,”
zei Gloria Matienne. “Het is niet mogelijk.”’ Mensen dromen hun diepste wensen,
dromen dat het onmogelijke gebeurt, dat ze het eeuwige donker van de versteende
stad kunnen veranderen. En Peters zusje, Adèle, die hij zal terugvinden in een
weeshuis, droomt van een olifant die aan de deur klopt. De schreeuw om
ontsnapping uit de grijze egaliteit klinkt als uit één mond; de dromen van de
personages haken allemaal in elkaar. Kate Dicamillo vertrouwt haar wonderverhaal
in grote mate toe aan de magie van de herhaling. Het spel met waarheid en
leugen, droom en werkelijkheid, wat er is en wat je meent dat er is… keert in
verschillende vormen almaar terug. Vaak letterlijk, soms net onder de
oppervlakte. Steeds opnieuw en op verschillende niveaus wordt dezelfde gedachte
geherformuleerd. De onveranderlijkheid zit niet alleen gevat in de grauwe
setting, maar ook in de taal, die veelvuldig gebruikmaakt van statements. En in
de dialogen — over zo’n wonderlijke zaken als een tevoorschijn gegoochelde
olifant — die slechts uitlopen in banale, ongerichte constateringen — ‘Is de
wereld niet klein?’ ‘Wat u zegt’. Of zoals de dialoog van de hoofdcommissaris
van politie — een man die zich enkel
laat leiden door het politiehandboek — met een jonge agent over de kwestie met
de olifant, waarin de gedachten onafwendbaar vastlopen, in de hand gewerkt door
de ontegenzeglijke hiërarchie in hun relatie:
“Commissaris!” zei een
van de jonge agenten. “Ze is vanzelf verschenen. Als we geduld hebben verdwijnt
ze misschien ook weer vanzelf.” “Doet de verschijning
van de olifant aan verdwijning denken?” vroeg de hoofdcommissaris. “Wablief?” vroeg de
jonge agent. “Ik begrijp geloof ik uw vraag niet, commissaris.” “Je onbegrip,” zei de
hoofdcommissaris, “is volkomen duidelijk. Het is even duidelijk als de olifant,
en al even weinig geneigd tot verdwijnen.” “Jawel, commissaris,”
zei de agent. Hij fronste zijn voorhoofd. Hij dacht even na. “Dank u,
commissaris. Dank u wel.”
Maar van bij het begin
sijpelt in de onwrikbaarheid van de statementtaal ook twijfel en vraagstelling
binnen. ‘Kon dat waar zijn? Nee, het kon niet waar zijn, want dat zou betekenen
dat Vilna Lutz tegen hem gelogen had en een soldaat, een officier, hoorde niet
te liegen. Vilna Lutz zou toch niet liegen? Nee toch zeker? Of wel?’ En in de
logische deductie die Peter daaropvolgend maakt, klinkt hoop, zij het met angst
voor dat wat de ontmaskering van onomstootbare waarheden meebrengt:
"‘Hij liegt, zij
liegt, hij liegt, zij liegt. Iemand liegt, maar ik weet niet wie. […] Maar als hij liegt, dan
leeft mijn zusje nog." Zijn hart bonsde. "Als hij liegt, dan leeft Adèle
nog." “Ik hoop dat hij liegt,” zei Peter tegen het donker. En zijn hart, geschrokken van dat veraad, en verbaasd dat een soldaat zoiets hardop uitsprak, bonsde opnieuw, maar nu veel luider.’
Kate
Dicamillo’s vertelling wisselt de kordate taal van de zekerheden, met korte
zinnetjes en een streng ritme, af met de aarzelende, zoekende gedachtegang van
bijvoorbeeld Peter, of Leo Matienne. De halve zinnen, onafgemaakte gedachten en
steriele herhalingen waarin de mislukte goochelaar en zijn slachtoffer spreken,
hebben een tegengewicht in soepele, harmonieuze redeneringen, waarin de
verschillende facetten van droom en (on)vrijheid worden overdacht. Dit verhaal
over betovering baadt in de invloeden van een lange literaire verhaaltraditie
en de lezer kan zich laten meedrijven op de rijke schakeringen in beeld en
stijl. Het verhaal is sprookjesachtig, fantastisch en magisch, en het beweegt
met grote vanzelfsprekendheid op zijn eenvoudige poëtische kracht. Die
overtuigende vorm is mede de verdienste van Martha Heesen, die in haar
gloedvolle vertaling de betekenis van ritme, klank en stijl voortreffelijk
heeft overgebracht. Tanaka Yoko illustreerde met stille, emfatische prenten. De
gesloten, soms ietwat marionetachtige figuren scheppen een zekere distantie. Je
kijkt naar wat er zich afspeelt op de prent, als naar een tableau vivant. Van
op een afstand, maar toch betrokken. En dat is mooi in overeenstemming met de
aard van het verhaal. Een prachtig boek, in
elk opzicht.
Kate
DiCamillo, Tanaka Yoko: Het verhaal van de olifant en de goochelaar, of Hoe
Peter zijn zusje terugvond, Querido Amsterdam, 2009, 131 p. : ill., € 13,95. ISBN 9789045110301 Vert. van: The magician's elephant door Martha
Heesen. Distributie: WPG Uitgevers
|