naar startpagina
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
boek van de week
8/03/2010 - Charles Ducal: Alle poëzie dateert van vandaag / door Dirk De Gee

Enkele jaren geleden startte het Vlaams Fonds voor de Letteren, ter gelegenheid van Gedichtendag, met een nieuw initiatief. Aan een gerenommeerd dichter wordt gevraagd om zijn of haar visie op poëzie te vertolken, liefst op een voor een breed publiek toegankelijke manier. Zopas verscheen het derde deeltje in de reeks. Ditmaal werd Charles Ducal aangezocht als pleitbezorger voor de poëzie. Dat blijkt in meer dan één opzicht een voortreffelijke keuze. In de eerste plaats omdat Ducal faam geniet als dichter van een oeuvre dat relatief toegankelijk heet te zijn, maar tegelijk geenszins naïef is — het is geen poëzie die erop gericht is de lezers zoveel mogelijk herkenning te bezorgen. De lyriek van Ducal spreekt de lezer aan, maar spreekt hem ook tegen: precies daaraan ontlenen deze verzen hun kracht en hun blijvende fascinatie.
In zijn essay doet Ducal echter veel meer dan een persoonlijke visie op zijn eigen poëzie verkondigen. Charles Ducal is (onder zijn echte naam) al decennialang werkzaam als leraar in het middelbaar onderwijs, waar hij steevast probeert jongeren voor poëzie te winnen. In die zin is zijn pleidooi een poging om mensen tot geduldig lezen te brengen.
Daartoe voert Ducal een hele reeks personages ten tonele, vanaf hun prille schooltijd tot vandaag. Allereerst is er Eugene, die het zelf tot dichter weet te schoppen. Andere personages zijn vooral leerlingen, die ieder op hun eigen manier omgaan met de poëzie die de leraar (de schrijvende ik) hun presenteert. De rijmpjes en poëziespelletjes van de kleuterklas maken daarbij plaats voor heel andere ervaringen. Voor sommigen is poëzie iets dat zich ver van hun bed bevindt, terwijl anderen in de mooie zegging van dichters hun eigen identiteit nastreven. Voor hen is poëzie iets dat past bij liefde en overlijden, wanneer een mens vruchteloos de woorden zoekt om die ervaring vorm te geven.
In zijn essay geeft Ducal blijk van inleving in die personages, maar voor hem is poëzie allereerst toch meer dan een herkenbare ervaring. Het mag dan wel zijn dat mensen op cruciale ogenblikken in hun leven reiken naar een vers om hun onmachtige taal aan te vullen, dat neemt niet weg dat poëzie in eerste en in laatste instantie een ‘taalervaring’ is. Inleving wordt door die taligheid van het vers net tot op zekere hoogte tegengegaan, precies omdat een vers zich niet laat reduceren tot emoties of tot een parafrase van de betekenis. Door die stellingname laat Ducal zich in feite gelden als een ‘formalist’ (al hoedt hij zich ervoor die positie in te nemen), iemand voor wie het eigene van poëzie ligt in het unieke taalgebruik. Elke poging om dat definitief te duiden (door een totale ‘betekenis’ of ‘grote woorden’) schiet noodzakelijk tekort. Dat axioma wordt theoretisch verduidelijkt door twee, ogenschijnlijk tegenstrijdige stellingen. Enerzijds houdt de auteur ons voor: ‘goede poëzie is onbegrijpelijk, ook als ze begrijpelijk is’: ze ontsnapt aan ons gangbare denken, is altijd meer dan er lijkt te staan. Anderzijds geldt al evenzeer het omgekeerde: ‘goede poëzie is begrijpelijk, ook als ze onbegrijpelijk is’. De onmogelijkheid om een ultieme betekenis te achterhalen verhindert immers niet dat een andere, meer fundamentele zingeving mogelijk is. In die zin houdt Ducal een pleidooi voor het geduldige lezen en herlezen. Tevens pleit hij ervoor om zoveel mogelijk mensen (en zeker jongeren) kennis te laten maken met het specifieke van poëtisch taalgebruik, in alle denkbare varianten en vormen. Op die manier krijgen jongeren op zijn minst de kans om poëzielezers te worden. Het is een visie die hier indringend en allerminst naïef wordt uitgedragen. Daarbij komt dat Ducal zijn betoog stoffeert met grappige of aandoenlijke anekdotes en voortdurend verzen van anderen citeert om zijn opinie te illustreren. Een beter pleidooi voor het lezen (stap voor stap ‘veroveren’ en opnieuw ‘verliezen’) van poëzie ken ik alvast niet.

Charles Ducal: Alle poëzie dateert van vandaag (Gedichtendagessay ; 3), Poëziecentrum Gent, 2010, 61 p., € 2,50. ISBN 9789056553340
nog in deze maand
29/03/2010 - Alberto Ongaro: Hoog spel / door Peter van den Hoven
8/03/2010 - Charles Ducal: Alle poëzie dateert van vandaag / door Dirk De Gee
1/03/2010 - Marije Tolman, Ronald Tolman: De boomhut / door Coosje Van der Pol
archief
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb